| In dit boek beschrijft Myriam Everard de zielsvriendschap en deugdlust van vrouwen als Betje Wolff en Aagje Deken, ze ontleedt en herziet de verhalen over vrouwen in mannenkleren en legt de sporen bloot van een subcultuur van lolhoeren en lollepotten. Ze stelt vast dat hedendaagse begrippen ontoereikend zijn om de laat-achttiende-eeuwse vrouwelijke werkelijkheid te verklaren. Dankzij een terughoudende en tegelijk doortastende stijl slaagt Everard erin een genuanceerd beeld te geven van godvruchtige en goddeloze vrouwen, van zinnelijke en zedelijke liefde aan het einde van de achttiende eeuw. Geschiedenis |